Smeken om liefde ~ Krijgen van liefde

Sommige mensen worden niet geboren in vrijheid.
Sommige mensen worden geboren in overleven.

Als kind begrijp je dat nog niet.
Je voelt alleen dat er iets anders is.
Dat je voortdurend bezig bent met aanvoelen, opletten, aanpassen.
Alsof je lichaam al vroeg leert dat rust nooit helemaal veilig is.

Je leert gezichten lezen nog voor je jezelf leert begrijpen.
Je leert stemmingen voorspellen.
Je leert wanneer je stil moet zijn, wanneer je moet verdwijnen, wanneer je jezelf kleiner moet maken om de dag zonder conflict door te komen.

En ergens onderweg verlies je iets wat een kind eigenlijk vanzelf zou moeten hebben:
het recht om gewoon zorgeloos te bestaan.

Dus groei je op met een onzichtbare zwaarte die niemand echt ziet.

Van buiten lijk je misschien sterk, rustig of volwassen voor je leeftijd.
Maar vanbinnen leeft een kind dat voortdurend op scherp staat.
Een kind dat nooit volledig leert ontspannen.
Dat altijd bezig is met overleven in plaats van leven.

En dan komen de tienerjaren.

De jaren waarin anderen zichzelf ontdekken, terwijl jij steeds verder van jezelf verwijderd raakt.

Je probeert erbij te horen.
Je probeert normaal te zijn.
Je probeert te begrijpen waarom alles voor anderen vanzelf lijkt te gaan terwijl jij al uitgeput bent nog voor de dag begint.

Je begint te voelen dat je anders denkt.
Anders voelt.
Anders reageert op de wereld.

Maar de maatschappij houdt niet van “anders”.

Dus begin je maskers te dragen.

Je lacht terwijl je breekt.
Je zwijgt terwijl je hoofd schreeuwt.
Je past jezelf aan aan wat anderen nodig hebben, omdat je bang wordt dat niemand blijft als ze zien hoe moe je werkelijk bent.

En langzaam raak je jezelf kwijt.

Niet in één groot moment.
Maar beetje bij beetje.

Tot je op een dag beseft dat je hele persoonlijkheid gebouwd is rond overleven.

En dan komt die drang om weg te vluchten.

Niet altijd letterlijk.
Soms gewoon emotioneel.
Mentaal.
De nood om eindelijk ergens terecht te komen waar je vrij mag ademen.
Waar je niet voortdurend in de schaduw van iemand anders moet leven.
Waar je niet constant moet voldoen aan verwachtingen die nooit echt van jou waren.

Dus je vertrekt.

Met hoop.
Met dromen.
Met het verlangen om eindelijk je eigen leven op te bouwen.

Maar trauma reist mee.

Dat is het harde aan trauma:
je kan van plaats veranderen, van omgeving, van mensen…
maar je zenuwstelsel verhuist altijd mee.

En plots besef je dat je niet alleen opnieuw moet beginnen in het leven —
maar ook opnieuw moet leren bestaan als mens.

Met andere mensen.
Andere verwachtingen.
Andere teleurstellingen.

En telkens opnieuw bots je op dezelfde muur.

Je geeft te veel.
Voelt te diep.
Draagt te lang.
Probeert te hard.

Tot je lichaam begint te protesteren.

Want een mens kan zichzelf maar zolang forceren voor hij breekt.

En op een bepaald moment neemt die pijn alles over.

Je energie.
Je slaap.
Je vertrouwen.
Je relaties.
Je toekomstbeeld.

Zelfs eenvoudige dingen worden zwaar.

Opstaan voelt als een gevecht.
Mensen zien kost energie.
Praten wordt vermoeiend.
Functioneren voelt alsof je elke dag een rol speelt in een leven waar je nooit echt hebt mogen thuiskomen.

En toch blijft de wereld hetzelfde zeggen:

“Werk aan jezelf.”
“Je moet leren loslaten.”
“Je moet verdergaan.”
“Je moet jezelf zijn.”

Maar hoe word je jezelf…
wanneer je bijna je hele leven geleerd hebt iemand anders te moeten zijn om te overleven?

Dat is de strijd waar niemand je op voorbereidt.

Niet alleen de pijn van wat gebeurd is —
maar de uitputting van jarenlang jezelf onderdrukken om aanvaard te worden.

Want trauma leeft niet enkel in herinneringen.
Het leeft in hoe je naar mensen kijkt.
Hoe snel je schrikt.
Hoe moeilijk rust voelt.
Hoe schuldig je je voelt voor je eigen grenzen.
Hoe je lichaam spanning vasthoudt alsof gevaar nooit echt verdwenen is.

En ergens onderweg begin je te beseffen dat de maatschappij vaak meer comfort vindt in aangepaste slachtoffers dan in eerlijke verhalen.

Zolang je stil geneest, ben je begrijpbaar.
Maar zodra je uitspreekt hoe diep de schade werkelijk zit, worden mensen ongemakkelijk.

Omdat jouw pijn hen confronteert met iets waar geen simpele oplossing voor bestaat.

En dus draag je verder.

De demonen.
De herinneringen.
De vermoeidheid.
De maskers.

Tot je bijna vergeet wie je was vóór al het overleven begon.

Maar diep onder al die lagen leeft nog steeds iemand.

Iemand die nooit moeilijk was.
Nooit te gevoelig.
Nooit te veel.

Gewoon iemand die veel te jong heeft moeten leren hoe zwaar het leven kan worden wanneer liefde, veiligheid en rust geen vanzelfsprekendheid zijn.

Toch gebeurt er soms iets onverwachts in een mensenleven.

Soms ontmoet je iemand die niet vraagt waarom je beschadigd bent,
maar die naast je komt zitten tussen de brokstukken.

Iemand die niet probeert je te veranderen in een gemakkelijker mens,
maar die je voorzichtig ruimte geeft om eindelijk te ontdekken wie je eigenlijk bent.

En misschien ben ik daar nog niet helemaal uit.
Misschien ben ik nog onderweg.

Maar onderweg zijn betekent ook dat je niet meer stilstaat in dezelfde pijn.

Want diep vanbinnen weet je ergens wel wie je bent.
Je weet hoeveel je hebt overleefd.
Hoe vaak je opnieuw bent opgestaan terwijl niemand zag hoe moe je werkelijk was.

En misschien is dat het belangrijkste wat je ooit echt bezit:
het besef dat niemand jouw verhaal heeft geleefd behalve jij.

Je begint te weten wat je wilt.
Maar nog belangrijker:
je begint eindelijk te weten wat je niet meer wilt.

Geen leven meer waarin je jezelf moet wegcijferen om aanvaard te worden.
Geen omgeving meer waarin overleven verward wordt met leven.
Geen liefde meer die je kleiner maakt dan je bent.

Want achter de humor, achter de scherpe opmerkingen, achter het stoere karakter en de lach die niet iedereen begrijpt, schuilt gewoon een vrouw die jarenlang heeft gevochten om zacht te mogen blijven in een harde wereld.

Een strijder met humor als schild.
Met een hart van goud dat veel te lang bezig is geweest met anderen dragen, terwijl het zelf verzorging nodig had.

En nee… wij waren niet voorbereid op deze reis.

Niet op de labels.
Niet op de chaos.
Niet op de pijn die mensen met zich meedragen.

Maar onderweg ontdekten we wel iets veel waardevollers:
hoe het voelt om samen te leren leven in een omgeving waar respect belangrijker is dan perfectie.

Een plaats waar verschillen niet onmiddellijk gecorrigeerd moeten worden.
Waar niemand zich elke dag hoeft af te vragen of hij wel “normaal genoeg” is om liefde te verdienen.

Want leven met labels betekent niet dat je minder mens bent.
Het betekent alleen dat jouw handleiding anders geschreven werd.

En misschien moeten we als maatschappij stoppen met doen alsof iedereen hetzelfde moet functioneren om samen te mogen leven.

We verwachten toch ook niet dat iedereen dezelfde haarkleur heeft om in hetzelfde gebouw te wonen?

Waarom voelen zoveel mensen zich dan alsof ze zichzelf dagelijks moeten bevechten om te mogen bestaan in een wereld die zogezegd voor iedereen bedoeld is?

Misschien ligt echte menselijkheid niet in mensen aanpassen tot ze perfect binnen het systeem passen.

Misschien ligt ze net in het vermogen om ruimte te maken voor elkaar.

Voor verschillen.
Voor gevoeligheid.
Voor pijn.
Voor groei.
Voor mensen die niet perfect functioneren, maar wel oprecht proberen lief te hebben, te overleven en iets moois te maken van hun leven.

En ja… ik heb nog veel te leren.

Over mezelf.
Over het leven.
Over onze kinderen.
Over de liefde.

Maar elke dag opnieuw staat daar ook een man die mee helpt dragen waar ik ooit alleen onder gebukt ging.

Een man die ervoor zorgt dat wij — elk met onze eigen littekens, onze eigen gevoeligheden en onze eigen labels — toch een warm en sterk gezin kunnen vormen.

Niet perfect.
Niet zonder strijd.
Maar echt.

En misschien is dat uiteindelijk waar vrijheid begint:

Niet in volledig genezen.
Niet in eindelijk “normaal” zijn.

Maar in het moment waarop je voor het eerst mag bestaan zonder jezelf voortdurend te moeten verbergen.

♥️

Wanneer tradities beginnen te wringen

10273226_10203869789365080_8672348104153607482_o

945322_10201200101544553_554424096_n
Pépé en Mémé met de kleinkinderen (een deel ervan)

Sommige tradities groeien gewoon mee met de jaren.
Andere… beginnen een beetje te wringen. Zachtjes eerst. En dan ineens denk je: hmm… ça ne va plus vraiment.

En dat gaat niet alleen over kleine kinderen die naar de lagere school gaan. Dat zit ook in familie, in gewoontes, in dingen die “altijd zo geweest zijn”.

Bij ons is er zo’n traditie.
Elke 1 januari samenkomen met de hele familie om het nieuwe jaar in te zetten.

En geloof mij… dat is geen kleine opdracht.
We spreken over een gezin van 11 kinderen, ondertussen allemaal tussen de 50 en 60+.
En ja, die hebben zelf ook kinderen. En die hebben op hun beurt ook weer hun leven. Sommigen met één kind, anderen met drie… enfin, ge kent dat.

En toch… onze grootouders, pépé en mémé, kregen dat elk jaar voor elkaar.
Iedereen samen. In hun huisje in Anderlecht.

Het was daar niet groot. Echt niet.
Maar gezellig? À fond.

Mijn favoriete moment?
De veranda. Wij, de kleinkinderen, samen Pictionary spelen.
Alé ja… Pictionary op onze manier, half vals spelen, half lachen, maar vooral veel te luid zijn 😄

Ondertussen zaten de nonkels en tantes in de keuken of het salon. Praten. Lachen. Herinneringen ophalen.
Dat gevoel… dat was echt top.

Toen pépé en mémé verhuisden — eerst naar een serviceflat, later naar een rusthuis — veranderde er iets. Logisch ook.
Iemand anders moest het overnemen.

En dat werd eigenlijk best goed gedaan.
De ene keer gingen we eten in een all you can eat.
Dan weer zei een tante: “kom maar allemaal, ik regel alles.”
Of we huurden een zaal, met eten van een traiteur.

Altijd anders, maar altijd samen.
En ja… dat bleef speciaal.

Tot op een dag mijn mama zei:
“Ik ga aan zee wonen.”

Nu ja, België is geen Amerika hé 😄
En we hebben zelfs familie in Luik, dus zo ver is dat allemaal niet.

De zee… de rust… het strand…
Ik snap het. Echt. Ik weet zelf ook al waar ik ooit wil eindigen.

En blijkbaar dachten nog een paar familieleden hetzelfde.
Want ondertussen vieren we al enkele jaren nieuwjaar… aan zee.

En ik ga eerlijk zijn.

Ik vind dat verschrikkelijk.

Niet de zee zelf, hein. Maar hoe het geworden is.
Elk jaar hetzelfde restaurant. Dezelfde menu.
Net genoeg plaats voor iedereen — zo’n beetje op elkaar geplakt.

En dan dat idee dat we er een heel weekend van moeten maken.
Blijven slapen. Liefst allemaal samen.

Op een bepaald moment dacht ik gewoon: allez… moet dat nu echt zo?

Dus ik zei dat eens tegen mijn nicht.
“Hey Sylvie… wat vind jij daar eigenlijk van?”

En blijkbaar was ik niet de enige.

Van het één kwam het ander.
We spraken met onze ouders. Die spraken met anderen.
Ge kent dat… dat begint te rollen.

Misschien hebben we wel een gevoelige snaar geraakt… who knows.

Want plots verscheen er een bericht in de familie-Facebookgroep (ja ja, die bestaat 😄).
Van de persoon die alles organiseerde.

En laat ons zeggen… de toon was niet echt zen.

Dingen zoals:
“traditie die jullie vader gestart heeft”
“achter mijn rug gepraat wordt”
“ik organiseer niets meer”

Ambiance.

En dan heb je natuurlijk ook de andere kant:
mensen die van niets weten en denken: wat is hier gaande?
Of die zeggen:
“aan zee is het goed, wie niet kan komen, komt niet.”

#RELAX, serieus.

Want uiteindelijk… wat hebben wij gezegd?

Gewoon dat we het misschien eens anders willen.
Iets dichter bij huis. Iets minder “verplicht”.
Iets… dat terug een beetje klopt.

En nu?

Stilte.

Het gesprek is gewoon gestopt.
En eerlijk… ik durf ook niet echt nog iets voorstellen.

En toch blijft dat in mijn hoofd zitten.

Moet ik mij gewoon aanpassen en meegaan?
Is het egoïstisch om iets anders te willen?

Mogen wij, de “kinderen” die ondertussen al lang geen kinderen meer zijn…
eigenlijk nog iets zeggen?

Want ik zit al lang niet meer in die veranda.
Nee.

Ik heb mijn plek ondertussen gevonden in de keuken. Of in het salon.
Tussen jullie.

En misschien is dat net waarom het wringt.